Ezelsbruggetjes - Taal

Bijvoeglijke naamwoorden

Een bijvoeglijk naamwoord schrijf je zo kort mogelijk: de vergrote foto en dus niet de vergrootte foto. Maar: hij vergrootte zijn voorsprong; vergrootte is hier een werkwoord en geen bijvoeglijk naamwoord. De verbrede weg. Maar: de aannemer verbreedde de weg

 

Spelling

1) nk of ng maar nooit alle twee

2) als Nico en Karin zitten te kussen mag Gerard er niet tussen

Je schrijft een woord met nk of met ng, maar nooit ngk => koninkrijk i.p.v. koningkrijk (behalve in samengestelde woorden zoals bijvoorbeeld hangklok)

 

De Als-Dan regel

Als het een het ander overtreft is het altijd DAN en niet ALS.
Voorbeeld 1) Ik ben beter … jij. Dat overtreft, dus is het DAN.
Voorbeeld 2) Ik ben net zo goed … jij. Dat is niet overtreffend, dus is het ALS.
Voorbeeld 3) Ik ben groter … jij. Ik overtref jou in grootte, dus is het DAN
Voorbeeld 4) Zij is net zo groot … hij. Er wordt niet overtroffen, dus is het ALS

 

Schrijf je een d, t of dt?

Zet er een vorm van komen of lopen of fietsen voor in de plaats. Ik kom, ik loop, ik fiets. Dan ook: ik vind, ik word.

Hij komt, hij loopt, hij fietst. Dan ook: hij vindt, hij wordt. Kom je/jij? Loop je/jij? Fiets je/jij? Dan ook vind je/jij? Word je/jij? Komt je oom? Loopt je oom? Fietst je oom? Dan ook: vindt je oom? Wordt je oom?

 

Laatste letter van een voltooid deelwoord: d of t?

Weet je niet of een voltooid deelwoord een d of een t heeft, maak er dan een bijvoeglijk naamwoord van, dan hoor je het oftewel maak het woord langer.

Voorbeeld 1) De kamer is versierd => De versierde kamer, dus een d
Voorbeeld 2) Het kasteel wordt versterkt => Het versterkte kasteel, dus een t

 

Gebiedende wijs met DT?

De gebiedende wijs krijgt zelden een T. Toch zie je vaak “BIEDT hier je spullen aan” of “VERMELDT hier je adres”. In beide gevallen staat er ten onrechte een T aan het eind van het werkwoord. Hoe kun je dat controleren? Vervang zo’n woord door een ander woord waarvan de stam niet op een T-klank eindigt: “GEEF hier je spullen” of “NOEM hier je adres”. Dan zet je er toch ook geen T achter?

 

Klinkers

Kan het licht ook uit?

 

Lijden of leiden?

Lijden heeft te maken met pijn

Leiden is een plaats; ergens naar toe gaan.

 

Aanwijzende voornaamwoorden

Aanwijzende voornaamwoorden zijn: deze, die, dit, dat, zo’n en zulke. Makkelijk te onthouden met het volgende zinnetje:

deze, die, dit, dat, zo’n, zulke, zit niet in je neus te pulken

 

Vragende voornaamwoorden

Vragende voornaamwoorden zijn: wie, wat, welk(e), wat voor (een). Makkelijk te onthouden met het volgende zinnetje:

wie, wat, welk(e), wat voor (een) dit zuig ik niet uit mijn grote teen

 

Meervouden op e of ee?

Bij porie valt de klemtoon niet op de i-klank dus komt er alleen een n achter; het meervoud is dus poriën. Bij kopie valt de klemtoon wel op de i-klank dus komt er en achter; het meervoud is dus kopieën. Denk wel om het trema, ook wel deelteken genoemd! (de 2 puntjes op de laatste e). Kijk ook naar de volgende voorbeelden:

bacterie – bacteriën; kolonie – koloniën; olie – oliën    

categorie – categorieën; knie – knieën; ski – skiën

 

Dubbele ontkenning

Zinnen met meer dan één ontkenning leiden tot verwarring. Vermijd die dus.

Jan heeft nooit geen problemen. => Blijkbaar heeft Jan dus altijd problemen!

Marie heeft nooit geen ruzie. => Marie heeft dus altijd ruzie!

 

Het verschil tussen de b en de d

Het verschil tussen de letter b en d kun je onthouden met het woord bed. De verticale pootje van de b en de d zijn het hoofd- en het voeteneind. De ronde delen van de letters vormen samen het matras dat dus tussen hoofd- en voeteneind zit.

Zoeken

November 2017
Z M D W D V Z
1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29 30